Wat betekent INR en hoe kan het komen dat iemand minder goed in te stellen is op bloedverdunnende medicijnen ?
In april 2000 constateerde men op de bloedbank bij mij hartritmestoornissen. Ik heb toen 3 dagen op de hartbewaking gelegen en heb daarna medicijnen gekregen Lanoxin, sotacor en Sintromitis voor de bloedverdunning. Over de bloedverdunning heb ik nu een vraag.
Ik moet elke twee weken naar de trombosedienst om de INR-waarde te laten bepalen. Volgens de cardioloog moet deze tussen de 2,5 en 3,5 liggen.
Ik slik de ene dag 4 en de andere dag 5 sintromitis. De INR-waarde is veelal rond de 2.4 en 14 dagen geleden 3.0.
Nu blijkt dat gisteren de waarde weer gedaald was naar 2.4
Nu de vraag: hoe komt het dat ik zo moeilijk te regelen ben?
Volgens een familielid kan dit met spanningen te maken hebben, maar ik heb mijn twijfels daarover. Is het niet nadelig om dagelijks 4 of 5 sintrommitis te slikken en wat zou ik er op het persoonlijke vlak aan kunnen doen dat de waarde tussen de 2,5 en 3,5 blijft?
Wat is de INR-waarde precies? Nou het is een heel verhaal geworden en ik ben benieuwd naar uw antwoord.
Met vriendelijke groet.
Ps. Ik werk, heb het naar mijn zin en prive ook geen problemen. Dus daar ligt het niet aan.
Antwoord
Beste Henk,Bij hartklachten krijgen patiënten soms bepaalde medicijnen voorgeschreven die er voorzorgen dat er geen trombose zal ontstaan.
Trombose kan ontstaan indien het bloed plaatselijk een beetje stolt (bijvoorbeeld in de kuit). Dit kan voorkomen worden door medicijnen. Deze medicijnen zorgen er voor dat het bloed minder snel stolt. U zult begrijpen dat het belangrijk is dat deze medicijnen optimaal moeten werken. Te weinig medicijn kan mogelijk trombose niet voorkomen. Een te grote hoeveelheid zal het bloed erg traag laten stollen, waardoor bloedingen pas laat stoppen, of er gemakkelijk een bloedneus optreedt of Kneuzingen ontstaan.
De hoeveelheid tabletten die U voorgeschreven krijgt is niet een maat voor de ernst van Uw ziekte, maar voor ieder verschillend. De trombosedienst zal er voor proberen te zorgen dat hetbloed optimaal dik is (dus niet te dik, en zeker niet te dun). Men hanteert hier voor streefgebieden: een gebied waartussen de uitslagen van het bloedonderzoek moeten vallen.
De meeste trombosediensten drukken de dikte van het bloed uit in de maat INR. De INR wordt berekend aan de hand van de stoltijd in het laboratorium (in sec). Het zou te ver voeren om uit te leggen hoe deze omrekening plaatsvindt.
Een INR van 1 is normaal, dat wil zeggen zonder dat er bloedverdunnende medicijnen worden genomen. Een hogere INR (groter dan 1) betekend dat het bloed minder snel stolt. Een INR 2 betekent als vuistregel dat het twee maal zo lang duurt voor het bloed is gestold.
De cardioloog bepaald samen met de trombosedienst wat voor een patiënt het gewenste streefgebied is. Vaak hanteert men voor Uw klachten het gebied INR 2,5-3,5. Indien de uitslag van de bloedonderzoek dus bijvoorbeeld 1.5 is, is het bloed dus te dik. Om zo optimaal mogelijk te beschermen tegen trombose dient de INR hoger te worden. Dit kan gebeuren door de hoeveelheid medicijnen een beetje te verhogen. Een variatie tussen 2,4 en 3,0 is geen enkel probleem.
Het regelen van de INR dient erg nauwkeurig te gebeuren. Andere medicijnen kunnen de werking van de bloedverdunnende medicijnen versterken of afzwakken. Hierdoor is het belangrijk dat de arts op de hoogte is van het feit dat U bloedverdunnende medicijnen gebruikt. Indien er toch andere medicijnen worden voorgeschreven, dient U dit de trombosedienst te melden, zodat zij er zonodig rekening mee kunnen houden.
Ik wil U dan ook afraden om zelf medicijnen te nemen, ook geen homeopathische middelen. Mogelijk wordt hierdoor het instellen door de trombosedienst bemoeilijkt. Van een aantal homeopathische middelen is ook bekent dat de werking van bloedverdunners wordt beïnvloed (bijvoorbeeld St. Janskruid).
Verder heeft ook het gebruik van alcohol invloed op de werking van de bloedverdunners. Enkele consumpties (2-3) geven geen problemen. Spanningen hebben geen invloed op de stolling van bloed.
Met vriendelijke groet,
Hans van Duijnhoven, klinisch chemicus.
Bovenstaande vraag is beantwoord door
Hans van Duijnhoven
Klinisch chemicus Hans van Duijnhoven is hoofd van het Algemeen Klinisch Laboratorium van het Elkerliek ziekenhuis te Helmond. Hij studeerde scheikunde aan de Universiteit van Nijmegen, en promoveerde tot doctor in de Natuurwetenschappen (Biochemie). Aansluitend is hij opgeleid tot klinisch chemicus in het Elisabeth ziekenhuis te Tilburg.
Wist je dat?
Je als MS-patiënt veel keuzevrijheid hebt bij het bepalen van je behandeltherapie? Ons nieuwe dossier 'Behandeling en therapiekeuze bij MS' geeft je handvatten bij het maken van deze keuze. Het geeft meer informatie over een onderhouds- en een acute behandeling. Ook wordt er een vergelijking gemaakt tussen de verschillende middelen die ingezet worden bij een onderhoudsbehandeling. Ook de behandeling van klachten en tips & tricks voor eventuele bijwerkingen komen aan de orde.
Klik hier om het dossier ‘Behandeling en therapiekeuze bij MS’ te lezen.